Home

 

Do's

 Don'ts

accepteren
  • Aanvaard dat de leerling een probleem heeft en toon begrip.
  • Laat voelen dat je gelooft in de leerling.
stimuleren en begeleiden
  • Motiveer en leg nadruk op talenten!
  • Structureer de leerstof en het leergedrag.
  • Leer kernwoorden markeren.
  • Vat de hoofdzaken samen.
  • Gebruik heldere taal en geef duidelijke opdrachten!
  • Leer de leerlinge ‘hulp’ te vragen. Controleer regelmatig de agenda.
  • Zorg dat alleen het nodige schrijfmateriaal op de bank ligt.
compenseren
  • Sta alle hulpmiddelen toe die de ‘zelfredzaamheid’ vergroten.
  • Laptop, rekenmachine, strategiekaarten.
  • Laat een liniaal/geodriehoek gebruiken met een handgrip of antislipstrip.
  • Gebruik voor cijferen en wiskunde ruitjespapier: dit vergemakkelijkt het onder elkaar schrijven van cijfers.
  • Leer werken met tekstverwerking en spellingcontrole.
  • Geef meer tijd (min. 30%) bij taken en toetsen.
  • Bied schema’s en geheugensteuntjes.
  • Bied instructie stap voor stap aan.
dispenseren (vrijstellen)
  • Geef vrijstelling van bepaalde eisen (bijvoorbeeld: geen spellingfouten tellen, afwijkingen tot 3 à 4 mm. bij het tekenen tolereren).
  • Laat minder oefeningen maken.
  • Geef een vervangingsopdracht bij sportactiviteiten als het sporten voor veel hilariteit bij de andere leerlingen zorgt en de leerling dit niet aan kan.
  • Dwing de leerling ook niet om bijvoorbeeld mee te dansen bij het schoolfeest, maar laat hem aankondigen.  
begeleiding en aanpak
  • Spellingfouten aanrekenen.
  • Lange schrijfopdrachten geven.
  • Veel tekst laten overschrijven van het bord.
  • Meerdere opdrachten tegelijk geven.
  • Lange schrijfopdrachten geven.
  • Grote toetsen kort van tevoren aankondigen.
  • Alleen schriftelijk overhoren.
  • Dictee’s laten meedoen ver boven het niveau.
  • Toetsen laten leren uit schriften of nota’s die niet gecorrigeerd zijn.
taalgebruik
  • Lange en complexe instructies geven.
  • Zeggen of schrijven: ‘Je hebt niet geleerd.’ Wel: ‘Vraag hoe hij of zij iets gedaan of geleerd heeft.’
gedrag
  • Zware sancties stellen als de leerling te laat komt of iets vergeten is.
  • Verwachten dat de leerling zelfstandig kan plannen.
  • De leerling vergelijken met zijn klasgenoten.
materiaal
  • Teksten met onoverzichtelijke lay-out.
  • Een onduidelijke kopie geven.
  • Geschreven opgaven of toetsen (wel getypt en overzichtelijk).
  • Cursus op veel losse bladen en in verschillende mappen.

vakken die problemen kunnen geven:

  • Nederlands: moeizaam overschrijven, veel overschrijffouten, spelling (concentratie voor lettervorming en - verbindingen vraagt alle energie)
  • wiskunde: tafels en eenvoudige bewerkingen (niet automatiseren), gebruik van materialen (gradenboog, passer) en schetsen of tekenen van figuren, ‘lezen’ van ruimtelijke figuren, voorstellingen, indelingen, enz.
  • vreemde talen: zinsbouw en zinsontleding
  • aardrijkskunde: kaart lezen, oriëntatie, reliëfvoorstellingen
  • lichamelijke opvoeding: oefeningen met snelle opeenvolgingen, evenwicht, coördinatie